Dag 181

Siep Slak

Siep Slak zit op mijn autoruit,
goed vastgeplakt, haar slakkensnuit
steekt in de lucht en kijkt blij rond.
Een zucht komt uit haar slakkenmond.
Ze roept naar mij; hé mensenkind!
Dit is wat ik het leukste vind.
Zo autorijden, stoer en snel,
van broembroembroem, hoor je dat wel?
Kom geef eens gas en neem me mee.
Ik wil een dagje naar de zee.

Maar ik zei Siep, de zee is naar!
Je slakkenvel wordt slap en raar
en al het zand kleeft aan je huid.
Dat is niet leuk! Maar Siep riep luid:
Voor mij geen zeezout en geen strand.
Ik kruip gezellig op jouw hand.
Je houdt me vast, tilt me omhoog,
zo blijf ik heerlijk schoon en droog!
Ik ruik het water, voel de wind,
zo zal het gaan. Kom mensenkind!


Nu staan we aan de waterkant.
De zee kleurt blauw, er is veel strand.
De zon schijnt fel,  Siep draagt een hoed,
Zo blijft ze koel, dat doet haar goed.
Haar steeltjes zwaaien heen en weer.
Ja Siep geniet, ze ziet steeds meer!
Er lopen krabbetjes voorbij.
Ik pak een schelp. Het maakt haar blij.
En voor ik ook maar iets kan doen,
geeft ze een dikke slakkenzoen.

JAKKIE!

Comments are closed.