05
jun 13

Dag 179

Hendrik hond

Ik moet een plas, dacht Hendrik hond
en keek eens even om zich heen,
of in de buurt een boompje stond.
Maar nee, hij zag er echt niet één.

“Nou ja wat stom! “ zei Hendrik hond,
“Ik plas graag tegen boompjes aan.
Mijn pootje til ik van de grond
en dan laat ik mijn plasje gaan.”

Maar plots zag Hendrik hond een man,
hij stond te wachten bij zijn fiets
en Hendrik hond riep, “jaaa! dit kan!
Beter een mannenbeen dan niets!”

Dus plaste Hendrik hond heel snel,
tegen de broekspijp, dat was fout.
De man werd boos, dat snap je wel
en schreeuwde, “Hendrik, jij bent stout!”

Maar Hendrik hond lachte zich slap.
Brutaal riep hij, “tot volgend keer!”
Rende snel weg, och wat een grap
en boompjes wil hij nu niet meer.


08
mrt 13

Dag 177

Wil jij ook plassen op het potje?

vroeg papa aan zijn kleine Lotje.

Maar kleine Lotje vond dat stom!

Ze had toch al een luier om?

Daar pasten heel veel plasjes in,

dus zei ze, nee ik heb geen zin!

 

 

 

Dan doen we je een schone aan,

zei papa toen, kom je hier staan?

Maar kleine lotje liep snel weg.

Een schone luier? Echt niet zeg!

Nee, deze zat nog veel te fijn.

Ze ging eerst spelen met haar trein.

 

 

 

 

Maar na een poosje, dat was gek,

zat er een natte  plasjesplek,

in Lotjes jurk en ook haar stoel,

was nat van heel die plasjesboel.

Ik schrik er van, riep kleine Lotje,

dit is nog stommer dan een potje!

 

 

 

 

 

Ze riep; hé papa weet je wat?

Die luier ben ik nu wel zat.

Het wordt tijd voor een nieuwe look.

Mag ik van jou een onderbroek?

En vanaf toen deed  kleine Lotje

haar peuterplasjes op het potje!


27
jan 13

Dag 176

Truus ijsbeer deed haar schaatsjes aan.

Ze ging achter een stoeltje staan

en gleed voorzichtig poot voor poot,

over de ijslaag in de sloot.

 

Wat kwam ze heerlijk snel vooruit!

Truus kreeg een glimlach op haar snuit.

Ze voelde zich heel licht en vrij

en schoof haar stoel al snel opzij.

 

Truus ijsbeer schaatste heen en t’rug

Met losse pootjes, dat ging vlug.

Ze maakte achtjes, deed een draai,

en daarna nog een reuzenzwaai.

 

Truus sprong omhoog, kuste de maan

en schaatste achter sterren aan.

Waarna ze afgleed naar de sloot

en veilig landde op één poot.

 

Truus keek eens om zich heen en zei,

dat schaatsen maakt me bereblij!

Maar nu heb ik genoeg gedaan.

Het wordt tijd om naar bed te gaan.

 

Truus nam haar stoel en schaatsjes mee.

Ze dronk thuis nog wat honingthee

en na een hele lange gaap,

begon ze aan een winterslaap.

 

Trusten Truus!


14
dec 12

Dag 172

Het kerstverhaal

Maria en Jozef, dat waren een stel

Hij timmerde meubels, heel netjes en snel

En zij deed de klusjes, die hoorden bij het huis

Ze waren gelukkig en voelden zich thuis

Maria hing was op, ze stond bij de lijn

Toen zag ze een engel, hij moest bij haar zijn

De engel zei zachtjes;  ‘k hoop dat je ‘t wat vindt

Want over een tijdje dan krijg jij een kind

 

Maria moest huilen, zo blij werd ze toen

Ze rende naar Jozef en gaf hem een zoen

Jij wordt straks een papa, wie had dat gedacht

Toen dansten ze samen tot diep in de nacht

 

Maar na heel veel maanden gebeurde iets naars

Dat kwam door de koning, die wilde wat raars

Maria en jozef, ze moesten op reis

Naar hun plaats van geboorte, hij leek wel niet wijs.

 

En jozef zei zuchtend; dat is ook wat zeg.

We moeten naar Bethlehem, een dorp heel ver weg

Maar we nemen de ezel, dan gaat het best snel

Jij zit en ik loop, ja we komen we er wel

Zo gingen ze reizen, wat duurde het lang

Maria kreeg buikpijn en toen zei ze bang

Mijn kindje gaat komen en het is zo koud

Ik moet echt naar bed nu, want zo gaat het fout

 

Maar wààr! vroeg Jozef, er was echt nergens plek

Alleen in een stal met wat stro en een hek

Dat was voor de dieren, die riepen kom gauw

Wij hebben wel ruimte voor jou en je vrouw

Ze maakten een bedje, een bedje van stro

Dit kan wel, zei Jozef, we houden het zo.

Maria ging liggen en Jozef zei zacht

Laat ons kindje maar komen, het is lang verwacht

 

Toen werd het geboren, het kindeke klein,

Een prachtige jongen, gezond, oh wat fijn

Dag Jezus , zei  Maria, ja, we noemen jou zo.

En stopte het ventje in een kribbe met stro

Ze waren zo blij en wat werd het een feest

De dieren, ze juichten, de ezel het meest

Er liepen wat herders met schapen voorbij

Ze bogen voor Jezus en zongen heel blij

En ook nog drie koningen, die kwamen van ver

Ze waren op zoek en ze volgden een ster

Toen vonden ze Jezus en zochten niet meer.

Ze gaven cadeautjes en knielden toen neer.

 

Maria en Jozef, dat waren een stel

Ze kregen een kindje, dat weet jij nu wel

En iedere kerstmis vertellen wij weer

Van het kindje geboren, in een stal, keer op keer

 


14
okt 12

Dag 170

Ooit was ik een mooi eikenblad.

Maar nu heb ik een heel groot gat.

Dat deed een rups, harig en klein.

Hij nam een hap, kauwde me fijn.

Toen riep ik; hé wat denk je wel,

ik knaag toch ook niet aan jouw vel?

Maar dat kon rups niks schelen hoor.

Hij hapte weer en at snel door!

 

Ik ging wat waaien, draaide rond.

Zo viel die rups vàst op de grond.

Maar rupsje lachte, deed geen stap.

En nam een extra grote hap.

Toen was het rupsje vol en zei,

Ik kom gauw weer, je bent van mij.

Hij rolde bol mijn blaadje af…

En kreeg toen lekker toch z’n straf.

 

Een grote vogel vloog voorbij.

zo’n dikke rups maakte hem blij.

Dat was een lekker maaltje zeg.

Toen was het hap! En rups was weg!


13
okt 12

Dag 169

Die arme Esmee Olifant!

Ze heeft een hele zere tand

en loopt nu gillend door het bos.

Haar slurf trekt alle bomen los.

Vier poten stampen op de grond.

De takken vliegen in het rond.

Och Esmee toch, wat ben je druk.

Je maakt het hele oerwoud stuk!

 

Maar Esmee weet niet wat ze moet!

Ze voelt zich helemaal niet goed

en plaagt haar vrienden , één voor één.

Bijt Peter Panter in een teen.

Leeuw Lennie trekt ze aan z’n baard

en Kroko Dillie aan haar staart.

Ze steekt haar tong uit naar Bert Beer.

Ja,  Esmees tand doet vrees’lijk zeer!

 

Dan krijgt Aap Appie een idee.

Hij neemt de stoute Esmee mee

en bindt een touwtje om haar tand.

Geeft met zijn sterke apenhand,

een harde ruk! Het ding schiet los.

Zo keert de rust weer in het bos.

Want blije Esmee Olifant,

heeft nu geen last meer van haar tand!


23
sep 12

Dag 168

Lex langpootspin zei niet zo blij,

“geen broek past aan dat lijf van mij.

Mijn poten zijn echt veel te lang

en best wel krom, ik ben zo bang

dat ik niks vind, straks komt de kou

en ben ik bloot, hoe moet dat nou!

Dan vriezen al mijn pootjes af.

Ik loop nooit meer, och wat een straf!”

 

Dat hoorde Kruisspin Pieternel,

Ze zei, “Ha Lex ik help je wel.

Ik maak een draad, heel lang en sterk.

Dat kan ik goed, echt spinnenwerk

en dan brei ík een broek die past!”

“Oooo,  Pieternel.” zei Lex verrast,

“wil jij dat zomaar voor mij doen?”

Hij pakte haar toen stevig vast en gaf een dikke zoen!


06
sep 12

Dag 167

Ik vond een vetkrijttekening terug. Denk van een jaar of 20 geleden. Volgens mij wilde ik toen een boekje maken met kattenverhaaltjes. Kennelijk is het bij een probeersel gebleven. Kon het niet laten om bij het plaatje een gedichtje te maken. Zo is de cirkel toch weer rond!

 

Poes Rood keek naar Poes Grijs en zei;

“Dat haar van jou, das niks voor mij,

Je lijkt een muis, heel groot en vet

en volgens mij piepte je net.”

 

“Mauw!” zei poes Grijs, “zeg, hou je mond.

Jij lijkt een wortel uit de grond,

Of een tomaat, zo rood als wat.

Kijk maar goed uit, ik stamp je plat.”

 

Poes Rood riep, “tsss, jij grijze duif.

Vlieg op, voordat ik aan je kluif!

Want grijze beestjes zoals jij,

eet ik er graag als hapje bij.”

 

Dat vond poes Grijs een leuke grap.

Hij lachte hard, “jij rode krab!

Ik pak jou eerst en kraak je schaal,

Dan heb ik ook lekker maal.”

 

Toen gaven ze elkaar een douw

Poes Rood, zei; “oei,” Poes Grijs riep; “auw”

Zo klierden ze nog even door.

Er vielen harde klappen hoor!

 

Toch was ook deze vechtpartij,

binnen een mum van tijd voorbij.

En na een dikke kattenzoen,

gingen ze fijn een slaapje doen.


04
sep 12

Dag 166

Ik ben een kleine babykat,

echt net geboren wist je dat?

Mijn oogjes houd ik nog fijn dicht,

ze moeten wennen aan het licht.

 

Ik kruip wat rond, ik piep en ruik,

drink heel veel melk uit mama’s buik.

Doe snel een plasje, poep en gaap

en val dan in een diepe slaap.

 

Ik groei en groei en op de een dag,

zie ik de wereld en ik lach.

Wat is het leuk, ik ren en speel,

eet kattenbrokjes echt heel veel.

 

Zo word ik snel een grote kat,

mijn haar glanst mooi, ik ga op pad.

En ben ik al het spelen moe,

dan ren ik naar mijn mama toe.

 

Ik druk mijn neusje in haar vacht.

Ze likt mijn kopje en zegt zacht,

dag kleine kattenman van mij.

Kom, we gaan slapen zij aan zij.


29
aug 12

Dag 164

Ik ben een heks, dat is zo leuk.

Verander alles, keer op keer.

Mijn stokje zwaai ik heen en weer

en fluister dan een toverspreuk.

 

Kijk daar, een grote zwarte kat.

Ik zeg, saliep, saloep, salop.

Tik met mijn stokje op z’n kop

en hij verdwijnt. Hoe vind je dat!

En dan die hond met krullend haar!

Ik maak um kaal, Saliek salacht,

stokdraai en hup, weg is de vacht!

Ik tover alles, vraag me maar.

 

Je vindt die kikker veel te groen?

Saloor saloot, nou is hij rood.

En hier een taartje, weg dat brood.

Wat kan ik verder voor je doen?

 

Ik ben een heks, dat is zo leuk.

Verander alles, keer op keer.

Mijn stokje zwaai ik heen en weer

en fluister dan een toverspreuk.